De eerste keer

door / zaterdag, 28 oktober 2017 / Gepubliceerd in Columns

De eerste keer

 

De eerste keer dat ik demonstreerde was in de vierde klas van de katholieke basisschool in Haarlem. Het docententeam had in de koffiekamer besloten dat wij, leerlingen, niet meer op het schoolplein mochten rennen. In de pauzes was tijdens overloopje, pakkertje en zoentjestik te vaak een kleuter omvergelopen. De dag na het verbod klonk, zoals altijd iets voor half negen, de zoemer die ons naarbinnen riep voor het onzevader, rekenen en taal. De bovenste klassen negeerden de elektrische triller en liepen naar de muur aan de overzijde van de schoolingang. We gingen met onze rug tegen de muur van het binnenplein staan en weigerden naar onze klas te gaan. De docent die de schoolbel bediende, bleef de knop van de zoemer maar indrukken. Toen hij doorkreeg dat we niet reageerden, haalde hij het schoolhoofd.

Daarna heb ik enkele malen gedemonstreerd: tegen onderwijsveranderingen, de oorlog in Irak, de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en de massaslachting op de redactie van Charlie Hebdo. Het afgelopen jaar heb ik vaker deelgenomen aan een betoging dan alle keren daarvoor bij elkaar opgeteld.

De reden is dat precies een jaar geleden in de geboortestreek van mijn ouders, de Rif in Noord-Marokko, de visventer Mohsine Fikri op macabere wijze om het leven kwam. Hij had op de clandestiene markt in het haventje van Al Hoceima zwaardvis gekocht. De gendarmerie hield hem staande en eiste smeergeld, eer hij verder mocht. Fikri weigerde geld te geven en dat pikten de gendarmes niet. Ze belden een vuilniswagen, waar de ordedienst zijn zwaardvis in gooide. Het tafereel vulde de blik van Mohsine Fikri met waanzin en hij sprong in de bek van de vuilauto. Het verhaal gaat dat een gendarme met de volgende woorden het doodsbevel gaf: “Vermorzel z’n moeder.”

Mohsine Fikri wilde zijn waar redden, maar hij en zijn vis werden door de pers van de vuilwagen vermalen.

Enkele dagen na de moord ging ik naar een herdenking op het Amsterdamse Museumplein. Tijdens de wake kwam een grote luidruchtige Anonymousmars voorbij. Ze droegen allemaal witte mombakkesen met daarop een dun snorretje en een smalende lach. Het Guy Fawkesmasker moest hun identiteit maskeren. Op de kleine stille herdenking van Fikri waren veel foto’s van de visboer om hem een gezicht te geven. Het was een schril contrast.

In Marokko ging de bevolking ondertussen dagelijks de straat op om haar onbehagen te tonen en sociale veranderingen te eisen. De dood van de visboer was de spreekwoordelijke druppel en toonde de zieke Marokkaanse samenleving die gefundeerd is op corruptie, geweld en paranoia.

Uit de vredige protesten ontkiemde al snel de geliefde protestleider Nasser Zafzafi. Hij voerde maandenlang door heel Noord-Marokko de schreeuw aan, maakte dagelijks politieke vlogs en liet zich vaak interviewen om de Marokkaanse ziekte wereldkundig te maken.

De Marokkaanse koning en zijn overheid negeerden de gearticuleerde onvrede totaal, maar achter de schermen werd er alles aan gedaan om de beweging te smoren. Op protestdagen werd het internet vertraagd, op datzelfde net werd de sociale beweging getrold, er kwam een ongrondwettelijk demonstratieverbod en Nasser Zafzafi overleefde een aanslag op zijn leven.

Uiteindelijk werd de volksleider opgepakt, nadat hij tijdens een vrijdagpreek een imam de mond snoerde. Die had demonstreren een religieuze misdaad genoemd.

De volksheld vluchtte nog wel, maar zijn schuilplek werd binnen 48 uur verraden – ik dacht aan de Frans-Belgisch-Marokkaanse terrorist Salah Abdeslam, die na de aanslagen in Brussel 126 dagen wist onder te duiken in de Marokkaanse wijk Molenbeek, met medeweten van veel wijkbewoners.

Inmiddels zijn honderden betogers vastgezet en wordt melding gemaakt van martelingen en vertrappen bewaarders de lichamelijke integriteit. Zo maken cipiers tijdens onnodige lijfonderzoeken foto’s van naakte gevangenen.

Door deze en andere gebeurtenissen toog ik regelmatig naar bijeenkomsten op straat door heel het land om mijn sympathie met de wereldverbeteraars en hun idealen te tonen.

Af en toe ging mijn vriendin mee. Na een zondagmiddagprotest vertelde zij op haar werk hoe ze de dag des Heren (die opkwam voor de geplaagden en zwakkeren) had doorgebracht. Een van haar hoogopgeleide collega’s vond het onzin: “Laat ze teruggaan naar Marokko en daar klagen.”

Nu weet ik dat hoogopgeleid weinig te maken heeft met intelligentie en een ontwikkelde geest, maar de kelderkoortsige en ondoordachte opmerking zette mij wel aan tot een zelfbespiegeling: Waarom demonstreer ik voor een beter Marokko?

Het antwoord op deze vraag vond ik in een schriftje, waar ik tijdens mijn eerste les ethiek op de universiteit schreef waarom een mens in actie komt; er gebeurt iets wat je aan het hart gaat, vervolgens ontvlamt in het binnenste van je ziel het gemoed die de beweging inzet.

De geboortestreek van mijn ouders is voor mij in veel opzichten ver weg, maar maakt onmiskenbaar deel uit van wie ik ben en is mij daarom dierbaar en het zou onjuist zijn als ik het hart en het verstand niet liet spreken tegen het onrecht. Helaas is dit niet de regel onder de Marokkaanse-Nederlanders.

De betogingen in Nederland worden meestal door een paar honderd mensen bezocht. De meeste Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond laten het afweten, niet omdat ze geen band meer hebben met het achterland, want volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is de gerichtheid op en de identificatie met Marokko groot.

Het is verleidelijk om die Algerijn uit het boek ‘Het duivelshuis’ van journalist Harm Botje te parafraseren: De Marokkaan is laf en alleen geïnteresseerd in kleding en koken. Maar gissen naar motieven van zoiets vaags als een gemeenschap is flauw en geeft net zo een schijnbeeld als een masker.

De voorhoede van BMN’ers dan – de Bekende Marokkaanse-Nederlanders?

Deze week verscheen protestleider Zafzafi voor de rechter in Casablanca, verdacht van het samenzweren tegen het koninkrijk en het oproepen tot gewapende rebellie. Hij reageerde vanuit zijn glazen kooi: “Liever dood, dan vernederd!” De gebeurtenissen in de rechtszaal moeten het koningshuis vrees hebben aangejaagd, want de koning ontsloeg diezelfde avond enkele ministers.

Het is wrang dat de BMN’ers langer zwijgen dan de despoot. Ik heb bewondering voor de volgende personen, maar verwonder mij over hun gemankeerde engagement.

Toen de burgemeester van Rotterdam Ahmed Aboutaleb werd gevraagd om zich tegen de repressie uit te spreken, antwoordde hij zich niet met Marokkaanse toestanden te bemoeien. Maar hij liet zich wel door het Marokkaanse staatshoofd koninklijk onderscheiden. De rapper Ali B debuteerde met de Warchild-singel ‘Waar gaat dit heen’, maar geen rap of woord over de tientallen gevangengenomen kinderen die in de protesten meeliepen. De acteur Nasrdin Dchar organiseerde een protestmars tegen intolerantie in de polder, maar zette geen stap voor de voortdurende onverdraagzaamheid aldaar. De cabaretier Najib Amhali gaf de koning van Marokko een boeket toen hij in Amsterdam op vakantie was, maar hij legde geen bloemen voor de slachtoffers.

In 1972 schreef de vermaarde hoogleraar politicologie John Waterburry dat Marokko een plek van patstellingen is, maar wij in het invloedrijke, welvarende en vrije Westen weten dat die impasse komt omdat het land willens en wetens ziek wordt gehouden. Hoe is deze stilte en dit wegkijken mogelijk?

Is er dan geen enkele BMN’er die aandacht vraagt voor de Marokkaanse crisis? Ik vond er twee: de schrijver Abdelkader Benali en de nieuwe burgemeester van Arnhem, Ahmed Marcouch.

Wie denkt dat het schaamte is van de migrant om zich publiekelijk uit te spreken over het achterland heeft het mis. Turkse-Nederlanders als Ebru Umar, Sadet Karabulut, Fidan Ekiz, Sinan Can, Özcan Akyol en anderen spreken zich regelmatig ondubbelzinnig uit over de volksmisleiding en de haat van Erdogan, met gevaar verketterd of verklikt te worden.

De basisschooldirecteur liep het plein over en bood ons zijn excuses aan. Hij had zich ook door ons moeten laten informeren, voor het docententeam een besluit nam. Het schoolhoofd ging ter plekke in gesprek met de leerlingen en een oplossing was snel gevonden: tijdens de pauzes was er op een helft van het schoolplein plek voor hollen en dollen.

In Marokko is geen plaats voor het protest, maar in dit land vol pleinen is genoeg plek. Die ruimte onbenut laten, is een ondeugd die de Marokkaanse misdaden goedkeurt.

Asis Aynan

Bovenstaand essay verscheen op 28 oktober 2017 in dagblad Trouw in de bijlage Letter & Geest.

TOP