Noch Arabier, noch moslim

door / dinsdag, 12 december 2017 / Gepubliceerd in Columns

Noch Arabier, noch moslim

 

Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (Slaa) bestaat 35 jaar. Onderstaand verhaal is opgenomen in de bijhorende jubileum bundel.

 

Ik kan hier schrijven over het mooiste of het indrukwekkendste Slaa-programma dat ik bijwoonde, maar ik denk dat ideeën in uitvoering vaker falen, dan ontzag wekken. Daarom hier het verhaal over een programma dat op een gedenkwaardig echec uitliep.
De aanloop naar de avond verliep te goed, dat had een waarschuwing moeten zijn.
In de boekenreeks van de Berberbibliotheek verscheen van de Algerijn Kateb Yacine Nedjma, het epos wordt als de invloedrijkste Algerijnse roman van de vorige eeuw beschouwd. Omdat Yacine een onbekende auteur is in Nederland, leek het mij een edelaardig idee om in samenwerking met Slaa een avond te organiseren over de controversiële auteur.
In het kranten- en tijdschriftensysteem LexisNexis las ik necrologieën over de schrijver en in een Engelstalige krant kwam ik tegen dat Kateb Yacine op een Parijse radiozender zei dat hij geen Arabier en ook geen moslim was. Zo ontstond na een korte zoektocht de prikkelende programmatitel Noch Arabier, noch moslim.
Ik vroeg aan schrijver Arthur van Amerongen, die in Portugal woont, of hij het werk van Kateb Yacine kende. Tot mijn verrassing vertelde hij gestudeerd te hebben aan de universiteit van Tizi Ouzou, een stad in de landstreek Kabbylië, waar Kateb Yacine gedurende zijn leven veel tijd had doorbracht.
De musicalzangeres Jennifer van Brink vond ik bereid het gedicht Bonjour ma vie van Kateb Yacine op muziek ten gehore te brengen.
Toen de aankondiging op het internet verscheen werd ik gebeld door cellist en dramaturg Carel Alphenaar. Hij had ooit een vakantie doorgebracht in Algerije, bij Kateb Yacine. We spraken af en hij liet mij vakantiefoto’s zien. Alphenaar vertelde honderduit over die zomer. Hij had Kateb Yacines Duitse zoon in de jaren ’80 in Nederland ontmoet en samen reden ze met de auto naar Algerije.
Ik nodigde Carel Alphenaar uit voor de avond, die zou gaan plaatsvinden in het Amsterdamse debatcentrum De Balie.
Als uitsmijter plaatse Slaa een advertentie in de boekenbijlage van Nrc Handelsblad.
Een paar uur voor het programma aten we in het restaurant van De Balie. Dat hadden we beter niet kunnen doen. Ik zag Van Amerongen vol enthousiasme het ene drankje na het andere bestellen. Ik werd er nerveus van en nam meer drank dan goed voor mij was. Ik wist helemaal niet waar ik het zoeken moest toen Van Amerongen als toetje een fles rode wijn bestelde, voor op het podium.
Tien minuten voor aanvang kwam ik in het zaaltje en zag nauwelijks publiek.
Ik liep naar de kassa en vroeg of de vijfentwintig kaarten die een vereniging had gereserveerd opgehaald waren. Niet één. Een aantal weken later hoorde ik dat de leden van de vereniging te veel aanstoot namen aan de naam van het programma.
In de deuropening van het zaaltje stond een man die mij een hand gaf en die niet losliet. Hij zei dat Kateb Yacine nooit een dergelijke uitsprak had gedaan. Ik zei welles, en hij nietes, dit ging nog even heen en weer. We stopten met het welles-nietesspelletje toen ik vroeg of ik de gasten mocht gaan interviewen.
Het vraaggesprek voelde alsof ik met kaplaarzen door een moeras liep. Mijn voorbereidde vragen vonden geen weerklank bij de forumleden. Arthur van Amerongen had een pak papier voor zich liggen, waar hij druk in bladerde, en af en toe zei hij dat Kateb Yacine eigenlijk een demagoog was. Door het woord ‘demagoog’ moest ik aan de oud-politiekleider van de Socialistische Partij Jan Marijnissen denken, die Pim Fortuyn ooit voor volksmenner uitmaakte. Ik raakte de draad kwijt en zakte weg in het moeras.
Alleen Carel Alphenaar bracht enige verlichting door luchtige en grappige anekdotes aan de schrijver met ons te delen.
Na anderhalf uur was het achter de rug, dacht ik. Het podiumpje was ik nog niet afgestapt of een mevrouw gespecialiseerd in Franse literatuur nam op ferme toon mij kwalijk dat ik geen aandacht had besteed aan het vrouwelijke, joodse personage uit de roman. Ik vroeg me af of we überhaupt over het boek hadden gesproken, maar ik had de kracht niet meer om het gesprek aan te gaan en taaide af.
In mijn hoofd had ik een heel ander programma, nu was het noch vlees, noch vis.

 

Asis Aynan

TOP